Genre: Mystery & Suspense
About Christophe Van de PoelLocation: Wuustwezel Belgium Home Region: Age:24 Website: http://erdoorgeraken.wordpress.com/ Favorite novels: To Kill a Mockingbird, Crime & Puishment, Het Verdriet Van België (dutch), Kafka on The Shore, Fear and Loathing in Las Vegas, The Great Gatsby, Of Mice and Men. Gee, this could be quite an endless list. Favorite writers: Hunter S. Thompson, Neal Stephenson, Joseph Heller, Hugo Claus, Jonathan Safran Foer, Haruki Murakami Favorite music: Pretty wide, mostly rock, hiphop, and old classics like Dylan, Elvis Costello, Sinatra, Queen |
Joined: October 30, 2009 This Year: Official Participant NaNoWriMo History: NaNoWriMo posts: 0 NaNoWriMo buddies: 1
|
|
Brief Author Bio: Well. Went to school for four years after High School, studying Graphical Design. Didn't finish. Went to the army for two years. Quit. Tried to become a civil engineer. Didn't. Now trying to become an industrial engineer. Trying very hard! Will make it. |
|
Synopsis: Super
A man, who thinks he has it all - a steady job, a house, a nice wife, some kids - can almost touch that sense of complete self-fulfillment. If only he puts in a little more effort. Just a little more work. And all shall be complete.
Alas, he encounters an unexpected adversary. Who he has to fight in order to sustain his way of living. He is tempted, humiliated, overjoyed and saddened to his core in the sadistical game which his opponent keeps playing.
(Dutch)
Excerpt: Super
4.
Kris zat in zijn zetel. In exact dezelfde houding als toen hij de hallucinatie had gehad. De sporen op zijn parket waren er nog steeds. Nog steeds stonden de krassen als een doorn in zijn oog afgetekend op zijn vloer. Hij kreeg geen vat op de situatie. Het was nog steeds helemaal verkeerd. Het was nog steeds niet mogelijk. Alles kwam surreëel over. Alsof elke hoek van 90°, net een beetje groter of kleiner was. Hij kon het niet meteen zien. Hij kon het niet voelen. Maar als hij zijn intuïtie volgde, dan begreep hij - dan wist hij, met zijn volledige wezen dat er iets mis was.
Hij kwam recht uit zijn zetel en stapte naar zijn bureau toe. Van dichtbij zag het meubel er nog meer solide en onvermurwbaar uit dan vanop een afstand. Hij wist hoe stevig het was. Wist dat je er zeer vreemde stoten mee kon uithalen, zonder dat er een druppel water uit een glas zou komen dat er bovenop stond.
Om dit te testen, stootte hij met zijn heup tegen de tafel. Geen krimp. Zelfs niet de aanleiding van een krimp te geven. Als er iemand aan de tafel zou gewerkt hebben, die zou niet eens door hebben gehad dat hij ertegen gestoten had.
Hij zette zich vervolgens aan de zijkant, nam het blad met beide handen aan weerszijden vast, ademde diep in en trok uit alle macht. Hij voelde hoe zijn hoofd rood werd van de inspanning, veranderde van strategie en schakelde van zijn trekkende beweging over op een duwende. De tafel leek even aanstalten te maken te bewegen, maar bleef ten slotte zo statisch staan als toen hij was geleverd. De trilling die Kris had veroorzaakt was in al zijn geweld enkel goed geweest om het potlood dat op de tafel lag, vijf centimeter te doen verder rollen dan zijn plek. Dat stelde hem niet tevreden. Allerminst.
Hij keek opnieuw naar de poten van de tafel. Hij begreep er niets van. Met al zijn kracht en volgens hem met het absolute maximum aan kracht die hij zelf kon ontwikkelen, was hij er niet eens in geslaagd de tafel van plaats te doen verschuiven. Zelfs niet een klein beetje. Met een milimeter was hij tevreden geweest. Maar dat was niet gebeurd. De tafel stond nog steeds op de exacte plek waar hij ze 10 jaar geleden had laten plaatsen. En waar ze gedurende tien jaar, in zijn ogen, ook had gestaan. Het was gewoonweg onmogelijk dat ze verplaatst was geweest in de tussentijd. Dat had hij zonet ondervonden. Om de sporen te veroorzaken die zich nu aftekenden op zijn parket, waren minstens 4 personen van volwassen, en liefst mannelijk postuur nodig.
Of niet? Allez. Zou zijn vrouw in staat zijn geweest, op één of andere manier, zijn tafel in zo'n cirkelvormige beweging te verplaatsen? Het moest haast wel. Hij had het in ieder geval niet gedaan. Er moest een logische verklaring zijn. Geen mystieke rommel of lugubere metafysische redenen, gewoon een bizarre grap van zijn vrouw. Hoe zij de klus geklaard had, bleef hem bijster, maar het was de enige logische verklaring. Nuja. Logisch misschien niet bepaald. Maar ergens leek het dat wel. Zij was bijzonder misnoegd geweest over zijn project om een rustieke kamer in te richten. En in het bijzonder over de parketvloer en het bureau. Het klonk als een typisch vrouwelijke reactie om tot het uiterste te gaan om dit op één of andere onomkeerbare manier duidelijk te maken. Ze had vast jarenlang zitten broeden over een plan om hem en zijn vloer en zijn bureautafel en zijn drang naar een perfecte en elegante huiselijke werkomgeving - wat zij smalend snobisme had genoemd - te kakken te zetten. Zeer recent had ze waarschijnlijk eindelijk een manier gevonden om dat te doen. En hij zou haar daar eens mee gaan confronteren. Ze zou natuurlijk ontkennen. Maar hij was ervan overtuigd dat zijn superieure redeneringsvermogen haar snel tot een bekentenis zou drijven. Dat ze haar ogen zou neerslaan en met één of ander eenvoudig refuteerbaar argument zou afkomen. Dat ze hem uit zou leggen hoe ze het geklaard had. Hoe ze enkele verhuizers had laten overkomen, met een smoesje, die dan de tafel in een cirkel over het parket hadden gesleept. Hoe ze dit gedaan had. En waarom. Hij wist wel ongeveer de reden, maar was toch nog geaffronteerd door de brutaalheid van haar handelingen. Hij wilde er het fijne van weten. Dat ze het had bekokstoofd, leek hem steeds duidelijker. Had ze niet vreemd naar hem gekeken, toen hij in de keuken stond? Ze had vast toen al de confrontatie verwacht. Ja. Het was overduidelijk nu. Wat een onbeschaamdheid.
Hij bleef even in gedachten verzonken staan. Repeteerde in zijn hoofd de manier waarop hij het zou aankaarten en keerde zich naar de deur. Tijd voor actie. Hij zou de geschonden trots van zijn parket deftig wreken. Onmiddellijk.
In twee grote passen was hij bij de deur, gooide die open en wilde de gang op stappen. Zijn voet bleef echter haperen en hij viel, met de deurklink nog in de hand als enige houvast voorover de gang in. Hij verwachte een droge smak op het tapijt in de gang. Maar die bleef merkwaardig genoeg uit. In plaats daarvan vielen zijn knieën door de plek waar de solide structuur van de overloop had moeten zijn. Hij voelde hoe het ijle lonkte en greep in een reflex met zijn andere had ook naar de deurklink. Alles onder hem viel weg. Zijn voeten losten van de drempel van de deur en kwamen in een zwaai onder zich door gevlogen. Hij kon de kamer waaruit hij was gekomen nog zien. Hij had de deurklink in zijn handen. Maar zijn gezicht bevond zich op een halve meter hoogte boven de grond. Vanaf zijn middel hing zijn lichaam in het niets. De gang was verdwenen. De overloop, de deuren van de andere kamers, de leuning van de trap. Alles was zwart naast en boven en onder en geheel rondom hem. Enkel zijn studie was er nog. En hij. Bengelend aan de deurklink. Boven een kollosale afgrond van nietsheid.
Hij zwaaide zijn benen omhoog naar de rand van de deur. Het was lang geleden dat hij zich nog zo fysiek had moeten inspannen. Zijn handen deden pijn. Zijn vingers klampten angstvallig vast aan de metalen deurknop. Hij besefte dat hij er goed had gedaan de deur stevig te laten installeren, met zware, stalen handvaten. Een normale klink zoals die van de keukendeur, waar zijn vrouw voor verantwoordelijk was geweest, zou al lang zijn gezwicht onder zijn gewicht en zijn bewegingen.
Zijn voeten haakten achter de deurlijst en langzaam, door zijn knieën een beetje in te trekken en zijn arm en polsspieren te spannen, zwaaide de deur terug dicht, waardoor hij richting zijn studie bewoog. Hij plaatste zijn voeten van de deurstijl naar het parket. Zijn dure parket. En kroop voet voor voet verder weg van de duistere afgrond. Eindelijk overbrugde zijn kont de rand van de deur en durfde hij zich neer te zetten en zijn grip op de deur te verminderen. Zo bleef hij zitten. Ter hoogte van de deurstijl. Zijn benen de kamer in. Zijn handen naast zich op de vloer. Op houvast. Zijn adem kwam zwaar hijgend uit zijn borstkas. Achter hem hem allesomvattende niets.
Hij sloot zijn ogen en hield zijn adem in. Het was allemaal een droom. Het kon alleen maar allemaal een droom zijn. Misselijkmakende afgronden in de gang, teleportatie doorheen zijn huis, verplaatsende bureautafels… Alles was te bizar voor woorden. Alles moest onecht zijn. Opnieuw kwam het beeld bij hem boven dat hij een toeval had gehad. Dat hij gewoon nooit uit zijn hallucinatie was gekomen. Dat hij nog steeds ergens op zijn tapijt, een ziekenhuisbed, een operatietafel lag te spasmen. Dat de laatste beetjes leven langzaam zijn wezen aan het verlaten waren. Hij fronste zijn wenkbrauwen bij het aanschouwen van de kamer en stelde vast dat er in ieder geval al wel wat vooruitgang bleek sinds zijn situatie in het aardedonker van enkele uren terug. Of zouden het dagen zijn geweest? Misschien niets van dat alles en had zijn geest de zaken van die avond wel op minder dan enkele seconden door zijn perceptie geknald.
“Nog steeds aan het doemdenken, Kris?”
De stem had opnieuw het effect op hem als toen hij in zijn doodstrijd had gelegen. Ze kwam uit het niets en deed hem zinderen tot in de kern van zijn bestaan. Bovendien leek ze van alle plaatsen tegelijk te komen. Niet zoals wanneer iemand tegen je spreekt, waarbij ze uit 1 richting kwam. Nee. De manier waarop de stem klonk, leek het dat ze in zijn hoofd origineerde. Alsof zijn oren de woorden niet opvingen, maar dat zijn hersenen hem via een pienter uitgedokterd schema de klanken in zijn hoofd deden weerklinken.
“Tijd voor een levensles, denk je niet?”
Kris wist niet waar te draaien of te keren. Hij kon zich niet richten op een bepaalde plaats of persoon. Alles was verwarrend. De stem voegde enkel meer vraagtekens toe. Hij was niet bereid te antwoorden. Noch wist hij de wijze waarop.
“Wat is er, Kris? Nog niet overtuigd?”
De woorden waren nog niet volledig opgevangen door Kris’ getormenteerde geest, of de muur rechts van hem, waar al zijn boeken en documenten verzameld stonden, explodeerde naar buiten toe. De chaos was overweldigend. Zijn kast, zijn lades, de kader die er hing. Alles werd naar buiten gezogen met een weerzinwekkende kracht. De boeken werden versnipperd op hun verplaatsing. Een confetti van jarenlange verzamelwoede werd uit de kamer gezogen. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes om zich te behouden voor de windstoot die bij dit geweld gepaard zou gaan. Maar die kwam er niet. Alles gebeurde in een doodse stilte. De muur gaf gewoon een krimp, knalde naar buiten en verdween in het achterliggende zwart. Zonder trilling. Zonder verandering in temperatuur noch druk in de kamer. Met zijn ogen gesloten zou hij niet geweten hebben van het geweld dat rechts van hem plaatsvond.
“Ik kan nog eens hetzelfde laten gebeuren als daarstraks, weet je”
Dit deed hem opspringen. In een flits voelde hij opnieuw hoe zijn ingewanden uit zijn opengereten buikholte hadden gepuild. Hij wist niets te articuleren. Wist niets anders dan een reutel uit zijn keel te laten ontsnappen. Daar zat hij. Op zijn krent, een meter van de deuropening van zijn studie. Naast hem werden de laatste fragmenten van de zijkant van zijn kamer nog steeds opgeslokt door het onpenetreerbare zwarte. En het enige wat hij kon uitbrengen als reactie op deze tormenterende stem, was een reutelend, haast dierlijk geluid.
“Ik neem aan dat dat een negatief advies is. Of vergis ik me?”
Opnieuw gereutel.
“Laat eens wat eloquenters horen. Beste Kris.”
Nog steeds kwam er niets verstaanbaars uit zijn keel.
“Kom, kom. Laat ons een praatje maken. Naar elkaar lopen schreeuwen als waren we een stel holbewoners lijkt me zo, ongeëvolueerd.”
“Wa-at?”
Nog steeds stond zijn hoofd op ontploffen. Er kwam geen eind aan zijn desoriëntatie.
“Hm. Beter. Alleszins iets wat in de buurt komt van een woord. Maar tegen dit tempo zal er natuurlijk geen deftige conversatie gevoerd kunnen worden. Waarom gooi ik je niet terug in een eeuwig durende doodstrijd. Op deze manier ben je allerminst een plezierige conversatiegenoot.”
“Nee!” schreeuwde hij. Het vooruitzicht op een nieuwe vreselijke ervaring deed hem voor het eerst in de laatste minuten een beetje bij zinnen komen. Trouwens. Als het allemaal een illusie was. Een spel van zijn geest. Dan bevond hij zich nu toch nog in zijn werkkamer. En indien hij luid schreeuwde, zou hij misschien de aandacht kunnen trekken van zijn vrienden, of misschien zelfs van zijn kinderen. Eender wat. Eender wie. Zolang ze hem maar uit zijn situatie konden trekken. Zodat hij terug kwam. Terug geforceerd werd. Eender hoe. Al resulteerde het in een catastrofale hartaanval. Zo eentje waar hypnotiseurs voor waarschuwen als ze hun show opvoeren. Waar slaapwandelaars het slachtoffer van kunnen worden. Alles was beter dan deze twijfel tussen het onechte en het werkelijke. Het droomachtige en de nachtmerrie. De waanzin van de situatie. Alles beter dan dat.
“Mooi,” klonk het. “Dan kunnen we ten minste als volwassenen proberen grip op jou situatie proberen te krijgen.
Het is mijn situatie, drong het door kris door. Niet de zijne – mijn situatie.
Christophe Van de Poel's Writing Buddies
|
|


add as buddy
send NaNoMail
visit website